Een gespeeld verhaal over het lichtje van de hoop
Voorganger: Weest allen van harte welkom hier in deze dienst in het teken van de hoop. We willen hoop geven aan medemensen, willen toekomst geven. Over hoop gaat deze viering, want hoop is iets dat ons overeind houdt, dat mede de kern vormt van ons christelijke geloven en onze inzet voor een betere wereld voor iedereen.
Vier kinderen staan ter zijde van het altaar klaar met ieder een brandende kaars.
Voorganger: Als opening een verhaal uit Afrika.
Op een zondagavond komt een aantal gezinnen bijeen in het huis van een familie, die hen heeft uitgenodigd. En al gauw is de grootste kamer vol. Tot het laatst toe blijven de mensen binnenstromen Er is nauwelijks nog een plaatsje te vinden.
Buiten is het al donker. Binnen worden één voor één de lampen uitgedaan. De mensen wachten.
Dan duiken uit de duisternis vier kinderen op. Ze hebben ieder een brandende kaars in hun hand. Het is stil en je kunt een speld horen vallen. Het wordt spannend. De vlammen van de vier kaarsen verspreiden een zacht licht.
Plotseling maakt een van de kinderen zich los en beweegt zich in de richting van de op elkaar gepropte mensen. De vlam flakkert. Licht en schaduw wisselen zich af in het gezicht van het kind.
Het eerste kind komt naar voren met zijn kaarsje. Het kind steekt zijn kaars omhoog en zegt:
Kind één: Ik draag het licht van het VERTROUWEN!
Voorganger: Maar hard en afwijzen klinkt een stem vanuit de duisternis:
Stem: Wie spreekt er hier van vertrouwen? De hele dag door krijg ik leugens te horen. Leugens torpederen het vertrouwen. Zij snijden de onderlinge verhoudingen tussen mensen kapot. Blaas die vlam alsjeblieft uit!
Het eerst kind blaast zijn kaars uit.
Voorganger: De wereld heeft een lichtje minder.
Nu zet het tweede kind een paar stappen naar voren.
Tweede kind: Dit is het licht van de VREUGDE!
Stem: Vreugde……vreugde, zeg je, waar honderdduizenden hongeren, onrechtvaardig behandeld worden? Rammelende magen, werkeloosheid. Ze doven alle vreugde in de mens. Doe het uit, dat licht! Wij voelen geen vreugde!
Het tweede kind blaast zijn kaarsje uit.
Voorganger: En weer is er een licht minder op deze wereld.
Het derde kind komt, aarzelend, naar voren.
Derde kind: Ik draag het licht van de VREDE.
Stem (dreigend): Vrede? Waar vind je vandaag nog vrede? We hebben niet eens vrede met onszelf en nog minder met onze naasten. Weg met dat licht. Er is geen vrede op aarde.
Het derde kind dooft zijn kaarsje.
Voorganger: Het derde licht dooft ook, weer een lichtje minder op deze wereld. Nog maar één blijft over. Een zwak, teer vlammetje. Het laatste.
Het vierde kind houdt zijn hand als een schild om het licht van de laatste kaars heen. Langzaam, stap voor stap, komt het naar voren. Vlak voor het altaar blijft het staan.
Het vierde kind (zachtjes): Ik draag het licht van de HOOP!
Enkele momenten van stilte.
Voorganger: Het blijft stil, niemand spreekt dit laatste kind tegen. Niemand vraagt om het licht van de hoop te doven. Allen staren naar dat ene vlammetje, dat de duisternis doorbreekt. Ze nemen het licht als het ware in zich op. Vertwijfeld bijna, want ze voelen maar al te goed dat dit het enige overgebleven licht is.
Het licht van de hoop als basis voor het vertrouwen…, voor de vreugde…, voor de vrede…
Het is iedereen duidelijk dat, als dit licht ook nog uitgaat, alles donker wordt. Alle mensen, groot en klein, gaan naar huis met slechts één gedachte: ‘Het licht van de hoop mag nimmer en nooit doven.’
Met dank aan diaken Coen van Loon, Zeist.